Vandaag was de finale van de wereldcup: Spanje tegen Argentinië. Voetbal boeit me normaal niet echt, maar toch zat ik op de bank, met een biertje naar het scherm te kijken.
En eerlijk: het was best een fascinerende wedstrijd. Spanje won met 1–0, maar het had makkelijk 15–0 kunnen zijn. Ze speelden bijna de hele tijd op de Argentijnse helft, overtikkend, steeds dichter naar het doel schuivend, elke aanval een klein kansje. Je zag de frustratie bij de Argentijnen groeien; het spel werd steeds fysieker. Een Argentijn kreeg een rode kaart en mocht naar huis. Pas in de verlenging viel de bal eindelijk goed, en toen was het snel klaar. Er ontstond wat geduw en gemopper en Trump dook nog even in beeld, en daarmee was het verhaal verteld.

Ik zat alleen thuis te kijken. Morgen moet ik weer werken, dus na het laatste fluitsignaal ging ik richting bed. Bij Ana en de kinderen was het een heel ander verhaal: daar barstte het feest los. Na de overwinning liepen ze met een hele groep kinderen naar het strand, vieren, lachen, nog even het water in. Een spontane zomeravondviering die je alleen krijgt wanneer je met z’n allen in de euforie hangt.